Al mijn leven lang probeer ik dingen te begrijpen, te verklaren of uit te leggen. Ik voel me vaak genoodzaakt om precies te zijn in de manier waarop ik de dingen uitleg, waarin ik ze verwoord in taal. 
In mijn werkende leven heb ik dat jarenlang gedaan als notulist bij een vakbond. Daar legde ik andermans woorden vast, de woorden van bestuurders. Vervolgens werd ik kunstenaar. Op de Rietveld Academie in Amsterdam probeerde ik mijn eigen woorden te vinden voor de positie waarin mij bevond: tussen kunst en werk in. 

En dat is allemaal taal. Taal die zich beweegt tussen feitelijkheden, emoties en persoonlijke ervaringen in. Taal die een boodschap overtuigend wil overbrengen aan de ander. 

Vanaf nu wil ik mijn taal inzetten voor de politiek van het raadswerk. En dat met één belangrijke reden:
We wonen namelijk niet alleen in taal, maar onze taal is ook geworteld in de plek waar we wonen. De plek die we ons thuis noemen: de aarde. De aarde die we, net als ons eigen huis, als een thuis zouden moeten behandelen. Want ook thuis laten we het vuil of de afwas niet staan voor de volgende generaties. 

Maar wat we binnen doen, laten we buiten versloffen. Dus wat mij betreft moeten we daarom ook hier lokaal in Zeist bij alle beslissingen die we nemen de natuur, de biodiversiteit en de verduurzaming vooropstellen. Dat betekent dat we beslissingen nemen die getuigen van lef en die uitgaan van de gedachte dat niet alles meer kan. De manier waarop we dat doen is roodgroen. We zijn solidair en sociaal.

We hebben daar al onze overtuigingskracht en taal bij nodig hebben. Ik sluit daarom af met de woorden van de Amerikaanse essayist en agrariër Wendell Barry: 

Dat, waarvan we concluderen dat het van waarde is, buiten we uit. Maar we verdedigen waar we van houden. En om te verdedigen waar we van houden, hebben we een verbijzonderende taal nodig, want we houden van wat we in het bijzonder kennen.